Verklarende woordenlijst

Ader of ertsgang: Strook gesteente dat door andere gesteenten heen loopt en vaak breuklijnen of speten opvult.
Aggregaten: samengroeisel van kristallen van hetzelfde mineraal.
Amorfe mineralen: mineralen zonder een wetmatige georganiseerde innerlijke structuur; ze kunnen geen kristallen vormen.
Biogeen: heeft betrekking op materiaal dat van biologische of organische oorsprong is. Sideriet wordt gevormd in biogeen afzettingsgesteente als kalksteen.
Breuk: Oppervlakte waarlangs twee min of meer grote gesteenteblokken langs elkaar schuiven. Als deze bewegingen aanzienlijk zijn, veroorzaken ze aardbevingen.
Cabochon: de benaming voor een slijptechniek voor het slijpen van edelstenen en halfedelstenen en de benaming voor de stenen die hiermee worden verkregen.
Contacte mineralen: de aan of bij contactvlakken van eruptieven en sedimentgesteenten ontstane mineralen.
Determineren: identificeren, of bepalen tot welke soort een bepaald exemplaar behoort.
Doorgroeiingstweelingen: door elkaar gegroeide tweelingen.
Edelsteen: Kostbaar gesteente of mineraal, dat zo mooi of zeldzaam is dat het in juwelen wordt verwerkt. Voorbeelden: granaat, amethist, maar ook diamant of robijn…
Facetgeslepen: Een facet is een platgeslepen oppervlak van een metaal of gesteente.
Feigle: door middel van een kleurtest kan een onderscheid gemaakt worden: met een Feigl-oplossing wordt aragoniet zwart, terwijl calciet kleurloos blijft.
Fossiel: Rest of afdruk van eenlevend organisme, bewaard in sedimenten.
Geode: een holle ruimte in een gesteente waarvan de binnenwand is bezet met kristallijne afzettingen.
Geologie:  de Wetenschap die zich bezighoudt met de studie van de aardkorst. Geologie of aardkunde is de wetenschap die de aarde, haar geschiedenis en de processen die haar vormen en gevormd hebben, bestudeert. Geologie behoort tot de aardwetenschappen. Wetenschappers die de geologie als vakgebied hebben worden geologen genoemd
Gesteente: is een mineralencomplex dat een zelfstandig deel van de aardkorst vormt. Materiaal dat bestaat uit een verbinding van mineralen en/of fossielen.
Getrommeld:  dit zijn kleine edelstenen (of halfedelstenen of mineralen. Er zitten geen scherpe randen meer aan.
Gneis: (uit Oudhoogduits gneistan = fonkelen) een middel- tot hooggradig metamorf gesteente met een geband uiterlijk. De textuur van een gneis wordt bepaald door een voorkeursrichting waarin de kristallen liggen.
Hardheid: de weerstand die een lichaam biedt aan indringing.
Hardheidschaal van Mohs: tien, volgens toenemende hardheid gerangschikte mineralen.
Hydrothermale circulatie: onder continenten vindt volgens dezelfde principes plaats als onder de oceaan: het water komt in aanraking met een diepe (bijvoorbeeld een granietintrusie) of ondiepere (bij vulkanisme) warmtebron en begint weer omhoog te bewegen
Karstverschijnselen: door het oplossen van kalksteen en de mechanische werkzaamheid van water in kalkstenen ontstane lichamen.
Katalytsator:een stof[1] die de snelheid van een bepaalde chemische reactie beïnvloedt zonder zelf verbruikt te worden.
Klast: in een sediment opgenomen fragment van een mineraal of van een vroeger gesteente.
Kristal: lichaam dat opgebouwd is uit elementen (ionen, atomen en moleculen) die op wetmatige wijze zijn gerangschikt. Onder gunstige omstandigheden krijgen kristallen een zodanige vorm dat ze begrensd worden door vlakken die door hun innerlijke structuur worden bepaald. Alle mineralen vormen kristallen.
Kristalgroep: een onregelmatig gegroepeerde kristalaggregaat van dezelfde stof.
Kristallijne gesteenten: een algemene term voor eruptieve en metamorfe gesteenten.
Kristalsysteem: hiertoe behoren de kristallen die worden gekenmerkt door eenzelfde assenkruis.
Magma: vloeibare massa silicaten die na stolling vloeiingsgesteenten vormen.
Laag of stratum: De sedimentgesteenten vertonen vaak lagen van een verschillende samenstelling, die bijvoorbeeld zichtbaar zijn op een  klif. Deze lagen beantwoorden aan variaties in de samenstelling op het ogenblik van de afzetting van de sedimenten.
Magma: substantie die op een hoge temperatuur(meer dan 700 graden C) smelt. Het vormt zich om tot dieptegesteenten als het traag in de diepte afkoelt, of tot vulkanische gesteenten als het snel afkoelt aan de oppervlakte.
Metamorfose: Verandering van een gesteenten tengevolge van een verhoging van de temperatuur en de druk. Dit fenomeen wijzigt de mineralen waaruit het gesteente is samengesteld, of doet er nieuwe ontstaan. Contactmetamorfose is het gevolg van een verhoging van de temperatuur rondom een opstuwing van heet magma. Regionale metamorfose vindt plaats wanneer gesteenten diep in de aarde onder zware druk komen te staan.
Mineraal: anorganisch, homogeen natuurprodukt dat in vast of vloeibare toestand voorkomt en een bestanddeel van de aardkorst vormt. Mineralen zijn vaste elementen waaruit de gesteenten zijn opgebouwd.
Mineralogie: de wetenschap die zich bezighoudt met de studie van mineralen.
Nesosilicaten: een silicaat waarvan het kristalrooster opgebouwd is uit geïsoleerde tetraëders van silica.
Orthorhombisch kristalstelsel: een bepaald type kristalstelsel dat een grote mate van symmetrie bezit, maar niet zoveel als het kubische.
Oxidatie:
 
een chemisch proces waarbij een stof (de reductor) elektronen afgeeft aan een andere stof.
Pegmatieten:
 zijn bijzondere graniet-achtige gesteenten. Ze zijn doorgaans zeer grootkorrelig, d.w.z. de afzonderlijke kristalkorrels. Zijn vergeleken met gewone granieten vaak bijzonder groot. Pegmatieten bestaan voornamelijk uit kaliveldspaat en kwarts.
Poederdiffractie: een diffractie techniek waarbij een poeder, bestaande uit een zeer groot aantal, meestal volledig willekeurig georiënteerde, kristallieten wordt blootgesteld aan een bundel straling.
Porfieren: zijn gesteenten van vulkanische oorsprong. De meeste zijn door stolling uit lava ontstaan, anderen – en dat zijn vooral de kwartsporfieren onder de zwerfstenen – ontstonden uit gloedwolkafzettingen. De vorming van gloedwolken treedt alleen op bij zeer hevige vulkanische uitbarstingen. Ook zijn talloze porfieren gevormd in scheuren en spleten in de onderliggende aardkorst.
Radioactieve straling: bij het uiteenvallen van atoomkernen komt straling vrij.
Sedimenten: deeltjes van variabele grootte, waaruit de sedementaire gesteenten zijn opgebouwd. De sedimenten ontstaan door de verwering van oude gesteenten of door de afzetting van scheikundige elementen. Ze worden vervoerd door de rivieren, de wind, de zee, de gletsjers.
Skarn: calcium-en ijzerrijke metamorfe silicaatgesteenten.
Skarnmineralen: hoofdbestanddelen van skarnen, in hoofdzaak granaten, pyroxenen en magnetiet.
Soortelijk gewicht: het gewicht van de stof per eenhoud van volume.
Splijtbaarheid: is een maat voor de cohesie tussen splijtvlakken van kristallen.
Streep: kleur van verpulverd mineraal.
Sublimatie:  de directe overgang van een stof uit de vaste fase naar een gasvormige fase. Zo kan bijvoorbeeld ijs in strenge winters, bij erg droog weer, direct sublimeren naar de gasvormige fase. Daarbij wordt de vloeibare fase dus overgeslagen. Dit verschijnsel wordt ook wel vervluchtigen genoemd. Bij overgang van gas direct naar vaste stof spreekt men van desublimeren of van verrijpen.
Tabulaire:
plaatvormige kristallen die in laagjes op elkaar liggen.
Tweelingen: kristallen van gelijke soort die op een bepaalde wijze aan of in elkaar zijn gegroeid.
Uiterlijk: het totaal aan optische eigenschappen van een mineraal.
Veldspaat:zijn veruit de belangrijkste mineralen in aardkorstgesteenten. Veldspaten vormen mengkristallen, er zijn een aantal soorten met allerlei tussenvormen. Zwerfsteenliefhebbers hebben er weinig aan want het is niet mogelijk om met een loep of een binoculair de afzonderlijke leden of tussenvormen te herkennen. Bij zwerfstenen hebben we maar met twee veldspaatnamen te maken: kaliveldspaat en plagioklaas. Kaliveldspaat en plagioklaas zijn verzamelnamen, ongeacht in welk gesteente ze voorkomen. Het leren herkennen van beide is zeer belangrijk. Zonder die kennis is het determineren en benoemen van kristallijne zwerfstenen vrijwel onmogelijk.
Verschuiving: verplaatsing van twee stukken van de aardkorst ten opzichte van elkaar langs een breuklijn.
Verweringszone: een gebied waarin mineralen onderworpen worden aan andere omstandigheden dan waarin ze gegroeid zijn, en waarin ze omzetten naar mineralen die bij de nieuwe omstandigheden stabiel zijn.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s